
Archeologische
en Bouwhistorische Kroniek van de Gemeente Utrecht, 1989, blz. 72 t/m 74
22. Oude Gracht 16 en 18
Deze huizen
behoren tot de meer bescheiden bebouwing waarmee de 'gaatjes' tussen de forse
grachtenpanden zijn opgevuld. Zij staan tussen twee aanzienlijke buren in,
waarvan vooral nr. 20, op de hoek van de Lange Lauwerstraat. met
zijn 18 m hoogte nogal domineert (afb. 111).

Afb. 111 Oude Gracht 16 en 18.
18de eeuwse tekening van de Weerdpoort
door W. H. van der Wal GAU TA Dc 4.19. Op de achtergrond
de huizenrij langs de oostzijde van de Oude Gracht
Het bouwblok
waarin deze panden staan - het noordelijkste aan de oostzijde van de Oude
Gracht - kenmerkt
zich door een nogal ingewikkelde structuur. Anders dan bij de zuidelijke Oude
Gracht is hier sprake van een totale versnippering van percelen achter de
grachtbebouwing. Hier is geen sprake van diepe tuinen die in de
loop der tijd zijn dichtgebouwd, maar van bebouwing op het
binnenterrein, die in een aantal gevallen van hoge ouderdom is. Zo kijkt nr. 18
aan de achterzijde uit op een huis dat als nr. 8 vanuit de Lange Lauwerstraat
bereikbaar is en dat in zijn westgevel de resten van een trapgevel van een
middeleeuws éénlaags huis bevat. Wat verderop heeft
de Lange Lauwerstraat een knik en ten oosten daarvan wordt de noordelijke
straatwand door de gevels van diepe huizen gekenmerkt, in plaats van door de
brede huizen daarvóór. Terwijl de percelen langs de zuidelijke Oude Gracht tot
een vrij late (12de- en 13de eeuwse) verkaveling
teruggaan, moet het ingewikkelde patroon in dit bouwblok waarschijnlijk als
eindresultaat van een eeuwen eerder begonnen
ontwikkeling opgevat worden.
De zuidmuur van nr. 12(-14), waar nr. 16 tegenaan gebouwd is. geeft met zijn metselwerk en muurankers aan dat dit huis minstens
uit de 14de eeuw stamt.
Nr. 16 zelf is in
de vroege 15e eeuw meteen als bescheiden diep huis van twee bouwlagen gebouwd
(afb. 112).

Afb. 112 Oude Gracht 16 en 18.
Plattegronden. Tek. Kees Terhorst.
De achtergevel,
waar de tand des tijds nogal aan geknaagd had, was nog
als een oorspronkelijke trapgevel herkenbaar. Hoewel hij voor weinig mensen
zichtbaar is. moet het als des te lofwaardiger gezien
worden dat de eigenaar er prijs op stelde om een van onze oudste trapgevels in
gerestaureerde vorm voor een mogelijk lange toekomst te bewaren (afb. 113). De
top van de gevel helde nogal fors naar achteren. wat
door een ooit naar voren gezakte, waarschijnlijk houten voorgevel veroorzaakt
geweest kan zijn.

Afb. 113 Oude Gracht 16 en 18. De
gerestaureerde 15de eeuwse achtergevel van Oude
Gracht 16. Dia van Bart Kluck.
Misschien was dit
verschijnsel aanleiding voor een grote verbouwing, die het huis in de 17de eeuw
onderging. Daarbij werd een nieuwe stenen gevel op een houten onderpui gebouwd,
zoals die op de achtergrond van een 18de eeuwse
tekening van de Weerdpoort voorkomt (afb.111). De
gevel zit nu grotendeels achter het pleisterwerk verborgen dat in de 19e eeuw
werd aangebracht, toen de gevel in een lijstgevel werd veranderd. De
muurankers, die uitgesproken 17e-eeuws zijn, zijn gelijk aan die van het noordelijke
buurpand, dat eveneens in dezelfde periode van gevel wisselde.
De balklaag boven
de begane grond is tijdens de verbouwing buiten beeld gebleven en kan dus niet
gedateerd worden. Op de verdieping werd in de 17de eeuw een grotendeels nieuwe balklaag
aangebracht, maar wel zodanig dat de 15e-eeuwse eiken spanten op zolder gehandhaafd
bleven. De jukken met hun geknikte spantbenen zijn opvallend hoog en ten dele uit middeleeuws sloophout samengesteld, waaronder
zich een stijl uit een vakwerkconstructie bevindt.
Bij de 17e-eeuwse
verbouwing werd het achterste deel van het keldergewelf ten behoeve van een
hoger gelegen keuken weggesloopt. De consequentie
voor de begane grond was dat er een indeling met een winkelachtige voorruimte ontstond,
die door een binnenpui van een opkamer gescheiden was. Deze opzet is in 1921 weer
teniet gedaan door het laten zakken van het plafond van de keuken. Op de
verdieping was ongeveer halverwege een verdeling. Bij de 19de eeuwse verbouwing kreeg de achterkamer een aardige empire schouwmantel.
Het iets smallere
nr. 18 is in de 17de eeuw geheel nieuw op de kelder van een middeleeuwse voorganger
opgetrokken. De bijbehorende werfkelder heeft een gewelf dat aan de zuidzijde op
een merkwaardige reeks spaarboogjes rust. De beide
balklagen zijn enkelvoudig. Omstreeks 1920 is de verdiepingsbalklaag omhoog
gebracht waarbij de 17e-eeuwse kap is verdwenen. Ook dit huis heeft nog een 17de
eeuwse voorgevel, maar deze is eveneens veranderd in een
lijstgevel, met rustica pleisterwerk dat tegelijk met
de pui in 1877 werd aangebracht.
Achter het huis is een smalle plaats. Oorspronkelijk was dit een grotere vierkante
plaats, die ook achter nr. 16 liep en die aan de oostzijde door het al genoemde
éénlaags trapgevelhuis begrensd werd. Hierop is in de
middeleeuwen een klein vierkant huis op een dubbele kelder gebouwd, zodanig dat
er aan drie zijden ruimte vrijbleef. Daarop kwamen de
uitgangen uit van nr. 16, van Lange Lauwerstraat 8 en een uitgang in de
noordelijke erfgrens. Het eerste verdween de gang
langs de oostgevel toen het huisje in de 17e eeuw vergroot werd en van een
nieuwe balklaag en kap werd voorzien. In de 19e eeuw werd het als werkplaats
uitgebreid tot tegen nr. 16 en verhoogd met een verdieping onder een mansardekap.
Bart KIuck