home
Mariakerk in Utrecht, publicaties, Italiaanse invloeden
terug

 

Bosman dissertatie

Bosman, A.F.W., De Onze Lieve Vrouwekerk te Maastricht, bouwgeschiedenis en historische betekenis van de oostpartij, Clavis Kunsthistorische Monografieën deel IX, Zutphen, 1990. pp. 122-127

(122 )

VI Bouwgeschiedenis Fase 5

domkerk van Speyer werden de gewelven in het transept bij een brand in 1159 vernietigd. De transeptarmen werden vervolgens opnieuw overwelfd met bandribgewelven. Het is zeer waarschijnlijk, dat voor deze herstelwerkzaamheden bouwlieden uit Worms werden aangetrokken, hetgeen een verklaring zou bieden voor de overeen komst in het toegepaste type gewelf. 101
Een dichter bij Maastricht gelegen voorbeeld van het gewelfsysteem met diagonale pilasters en brede ribben, was aanwezig in de Mariakerk in Utrecht (afb. 74). De grote, samengestelde pijlers waren in tegenstelling tot de O.L, Vrouwekerk bij de Utrechtse kerk echter afgewisseld met zuilen. Het feit dat bij de O.L. Vrouwekerk de pijlers een zodanige plattegrond en opbouw kregen, met de bedoeling om te functioneren in een met gewelven overdekte ruimte, betekent nog niet dat deze gewelven inderdaad in dezelfde fase zijn gebouwd. Er is een duidelijke aanwijzing waaruit kan worden opgemaakt, dat dit niet het geval was. De beide westelijke vieringspijlers behoorden nog tot het plan uit de vorige, vierde bouwfase, en waren derhalve nog niet voorzien van diagonale pilasters waarop de druk van het gewelf kon worden afgeleid. Het huidige gewelf is in de hoeken van het middenschip en de viering afgeleid op hoge consoles, die gezien de profilering zeker niet uit de twaalfde eeuw dateren en dan ook van later datum moeten zijn dan het in fase 5 gebouwde deel van de kerk. De consoles vertonen grote overeenkomst met de consoles die op het koor van de west bouw zijn gebruikt bij de overwelving van die ruimte. Een datering van al deze consoles in het eerste kwart van de dertiende eeuw lijkt alleszins redelijk. 102 Gesteld dat deze datering juist is, dan impliceert dit tevens, dat het middenschip in het eerste kwart van de dertiende eeuw van gewelven werd voorzien; men

1

Afb. 72. Zuidelijke zijbeuk, gezien vanuit het zuidoosten.

(123)

2
3Afb. 73. Schematische plattegrond van samengestelde pijlers in het schip (tekening R. van Hees).

Vergroot
Saenredam, P. HUA 28611

vergroot...

Afb. 74. Plattegrond pijler in voormalige Mariakerk te Utrecht. Tekening uit 1636
van Pieter Saenredam.

kan er toch wel van uitgaan dat de consoles tegen de vieringspijlers pas werden aangebracht toen men werkelijk de uitvoering van de overwelving ter hand nam. Of het met het oog op deze overwelving was, dat de langswanden van de middenbeuk met ca. 2,25 m verhoogd werden in mergel, kan niet worden vastgesteld. 103 Het waren deze, waarschijnlijk dertiende-eeuwse gewelven die in de achttiende eeuw werden uitgebroken, toen onder leiding van Gilles Doyen het huidige gewelf werd aangebracht. 104
Parallellen voor het schema van de architectuur in het schip en de zijbeuken zijn zeker aanwezig. Ook bij de Mariakerk in Utrecht bestond de tweede travee vanuit het oosten van de middenbeuk uit een hoog pseudo-transept, dat door de aanwezigheid van galerijen boven de zijbeuken een wat ander uiterlijk bezat dan het pseudotransept van de O.L. Vrouwekerk in Maastricht. De fase, waartoe de halfzuilen en de diagonale pilasters, en het pseudo-transept van de Utrechtse Mariakerk behoorden, wordt gedateerd in de tweede helft van de jaren dertig van de twaalfde eeuw.105 Minder duidelijk is de bouwgeschiedenis en de datering van de stiftskerk in Klosterneuburg bij Wenen. Het is echter zeer waarschijnlijk, dat ook dit kerkgebouw, dat in de eerste helft van de twaalfde eeuw zal zijn gebouwd, een gewelfsysteem bezat, waartoe pijlers met diagonale pilasters behoorden.1O6 Voorts zijn nog twee kleinere kerkgebouwen aan de Neder-Rijn te noemen, waar de diagonale pilasters {mogelijk)

(124)

VI Bouwgeschiedenis Fase 5

5

Afb. 75. Aanzicht vanuit het zuiden. Uitgevoerd restauratieplan.

werden toegepast: de kerken in Elten en Wissel. Bij een opgraving werd in de zuidoostelijke hoek van het transept van de kerk in Elten een rechthoekige sokkel aangetroffen, die diagonaal geplaatst was. Dit duidt zeker op de planning van een bandribgewelf, dat goed te vergelijken is met de gewelven in Utrecht en Maastricht; of dit plan in Elten ook is uitgevoerd blijft evenwel onzeker. De oostpartij van deze kerk wordt gedateerd in de jaren van ca. 1130/1140 tot het midden van de twaalfde eeuw.107 Hetzelfde gewelfsysteem werd wel uitgevoerd in het transept en het schip van de kapittelkerk in Wissel; die in de jaren vijftig van de twaalfde eeuw gedateerd wordt. lO8
De architectuur van het schip en de zijbeuken van de kerk van O.L. Vrouw vertoont dus duidelijke overeenkomsten met de architectuur van enkele andere twaalfdeeeuwse kerkgebouwen: de vergelijking met de voormalige Mariakerk in Utrecht ligt voor de hand, zowel voor wat het systeem van overwelving betreft als voor de pseudotransepten (afb. 75). De pseudotransepten zijn niet lang voor het midden van de twaalfde eeuw ook toegepast in de kloosterkerk in Rolduc, daar echter in combinatie met eenvoudige kruisgewelven over het middenschip. 109 Het was met name naar aan
leiding van de pseudotransepten in Rolduc, dat in de literatuur veel aandacht gegeven werd aan de term 'scemate longobardino', die in de Annales Rodenses voorkomt bij de beschrijving van de bouwgeschiedenis. Decennia lang heeft de passage voor de no-

(125)

dige verwarring gezorgd bij architectuurhistorici, omdat niet geheel duidelijk was wat nu precies onder deze term verstaan moest worden. I I 0 De stichter van de abdij, Ailbertus, zou volgens de Annales Rodenses in het eerste decennium van de elfde eeuw een crypte hebben gebouwd, terwijl de fundamenten van het kerkgebouw 'scemate longobardino' werden gebouwd.111 Een dergelijke situatie blijft onbegrijpelijk, indien men ervan uitgaat, dat de annalist de gang van zaken bij de bouwwaarheidsgetrouw heeft genoteerd. Het deel van de tekst waarin de betreffende zinsnede voorkomt werd echter na 1167 geschreven. 112 Het lijkt mij goed mogelijk, dat de annalist een vage notie heeft gehad van het feit, dat een deel van het kerkgebouw in Rolduc in verband gebracht kon worden met Lombardische architectuur, maar de term 'scemate longobardino' op een verkeerde plaats inde tekst heeft toegepast.113 Inmiddels is wel duidelijk geworden, dat de aanduiding moet slaan op het type schip en zijbeuken, dat uiteindelijk zeker op Noord-Italiaanse voorbeelden moet worden teruggevoerd.114 Dat bij de keuze voor deze architectuur voor schip en zijbeuken van de O.L. Vrouwekerk geen sprake is van een letterlijke navolging van een voorbeeld, wordt duidelijk uit vergelijkingen van verscheidene onderdelen. De galerijen zoals aanwezig waren boven de zijbeuken in de Utrechtse Mariakerk zijn zowel in Rolduc als in de O.L. Vrouwekerk achterwege gebleven; bij de Mariakerk is slechts één pseudotransept gebouwd, waar er in Rolduc en in Maastricht twee werden gebouwd; het gewelftype van de zijbeuken in de O.L. Vrouwekerk komt noch in Utrecht, noch in Rolduc voor. Het gaat hierbij om de gewelven bestaande uit een halve koepel, waarop stijgende tongewelven aansluiten. Stijgende tongewelven zijn ook toegepast in de Keizerzaal van de St. Servaaskerk in Maastricht, die in de jaren 60/70 van de twaalfde eeuw gedateerd wordt.115 In qeide gevallen wordt de herkomst van dit gewelftype terecht gezocht in de karolingische Paltskapel in Aken.116
Uit de genoemde parallellen mag blijken dat het gewelftype met diagonale pilasters tegen de middenschippijlers niet geheel onbekend was; anderzijds kan zeker niet gesproken worden van een algemeen gebruikelijk type. Over het algemeen wordt de herkomst van dit gewelfsysteem gezocht in Noord-Italië. Zo werden voor de overwelving van de kerk van S. Ambrogio in Milaan in de eerste helft van de twaalfde eeuw op een vergelijkbare manier halfzuilen diagonaal tegen de pijlers van het middenschip geplaatst.117 Het bandribgewelf, dat in de middenbeuk van de Mariakerk in Utrecht en in de kerk van O.L. Vrouw werd toegepast, is eveneens van Italiaanse herkomst. Rond 1128 is dit gewelftype
Saenredam S. Ambrogio Milaan
klik voor een panorama
aangebracht in de kerk van S. Ambrogio in Milaan, en in ongeveer dezelfde tijd in de S. Sigismondo in Rivolta d' Adda.118 Een van de vroegste voorbeelden van het bandribgewelf ten noorden van de Alpen is de Utrechtse Mariakerk geweest.119
Zeer treffend zijn de overeenkomsten tussen de Utrechtse Mariakerk en de voormalige dom van Novara (wijding 1132). Ook deze, helaas in de vorige eeuw afgebroken, kerk bezat een pseudotransept en emporen boven de zijbeuken, terwijl ook de vorm van de pijlers, met de kenmerkende diagonale pilasters, de vergelijking met de Mariakerk rechtvaardigt. 120 Zowel in Novara als in Utrecht waren naast de twee westelijke zijbeuktraveeën torens gebouwd, die achter de tegen de westgevel in Novara gebouwde en in Utrecht alleen geplande narthex verrezen. De overeenkomsten zijn zo groot, dat de gedachte zich opdringt om in de Maria-kathedraal van Novara het voornaam-

(126)

VI Bouwgeschiedenis Fase 5

ste voorbeeld voor de Mariakerk in Utrecht te zien.121 Van de vroegere bisschopskerk van Pavia, de S. Maria Maggiore, die tesamen met de S. Stefano een dubbelkathedraal vormde, werden de laatste restanten eveneens pas in de negentiende eeuw afgebroken. Het is vooral een tekening van Opicinus de Canistris die een betrouwbare reconstructie van het bouwvolume van de S. Maria Maggiore, zoals die in de eerste decennia van de twaalfde eeuw gebouwd werd, mogelijk maakte (afb. 76).122 Het oostelijke transept van deze kerk was als pseudotransept uitgevoerd. In het schip volgde dan een zijbeuktravee, een pseudotransept, twee zijbeuktraveeën en ook de meest westelijke travee was als pseudotransept gebouwd. Afgezien van de lengte van het transept, is het dit schema dat ook in Rolduc en bij de O.L. Vrouwekerk werd gebouwd. Aan de hand van de dateringen kan worden vastgesteld, dat het motief van het pseudotransept vanuit Noord-Italië naar het noorden is geëxporteerd en niet in omgekeerde richting. Bij de Mariakerk in Utrecht werd het pseudotransept voor het eerst ten noorden van de Alpen toegepast, in de jaren ca. 1134-1138.123 Korte tijd later volgden het schip van de kloosterkerk in Rolduc (ca. 1140) en van de O.L. Vrouwekerk in Maastricht.124
Met het nodige voorbehoud zou dan een tweedeling zijn aan te brengen in de ter sprake gebrachte groep bouwwerken: voor de twaalfde-eeuwse bouwfase van de Mariakerk in Utrecht dient de kort tevoren voltooide bisschopskerk van Novara zich aan als voornaamste voorbeeld, terwijl in verband met schip en zijbeuken van de kloosterkerk in R.olduc en van de O.L. Vrouwekerk in Maastricht vooral gedacht kan worden aan de S. Maria Maggiore in Pavia. Of  dit ook betekent, dat in Utrecht en in Rolduc de Italiaanse voorbeelden onafhankelijk van elkaar zijn benut kan moeilijk worden uitgemaakt. De eerder genoemde term in de Annales Rodenses  'scemate longobardino' wijst er hoe dan ook op, dat men zich bij de bouw van het schip van de kloosterkerk in Rolduc bewust was van het gegeven, dat gebruik gemaakt werd van een Lombardisch voorbeeld. Deze kennis kan vanuit Utrecht gekomen zijn, of rechtstreeks uit Italië. Enige aanleiding om een directe relatie van Rolduc met Noord-Italië te veronderstellen ontbreekt, zodat het toch wel zeer waarschijnlijk is, dat het idee van de pseudotransepten aan Utrecht werd ontleend. En ook in Maastricht moet de Utrechtse Mariakerk bekend geweest zijn, aangezien in de O.L. Vrouwekerk niet alleen de pseudotransepten werden gebouwd, maar ook de diagonale pilasters, die bedoeld waren voor een overwelving zoals die in Utrecht bestond. De veronderstelling lijkt dan ook gerechtvaardigd, dat de bouwmeesters in Rolduc en Maastricht enige kennis bezaten van de architectuur in Noord-Italië, die zij langs een omweg verkregen zullen hebben. Het is niet goed meer uit te maken, of het vernuft van deze bouwmeesters hen in staat stelde, om aan de hand van de architectuur van de Mariakerk in Utrecht tot de plannen voor schip en zijbeuken van Rolduc en de kerk van O.L. Vrouw te komen, of dat zij op een of andere wijze bekend waren met de voorbeelden in Lombardije.125
Het feit dat na de Mariakerk in Utrecht ook elders buiten Italië het gewelfsysteem met bandribben werd toegepast, hoeft niet te betekenen, dat deze gebouwen in een duidelijke chronologisch-stilistische opeenvolging tot stand zijn gekomen. Het moet juist die veronderstelling zijn geweest, samen met het inderdaad sporadisch voorkomen van pseudotransepten, die er meerdere auteurs toe bracht de bouw van het schip

(127)
6

Afb. 76. Voormalige dubbelkathedraal van S. Stefano en S. Maria Maggiore in Pavia. Tekening van Opicinus de Canistris.

en de zijbeuken van de O.L. Vrouwekerk vroeger te dateren dan de nog bestaande koorpartij.126 Er is echter geen enkele reden of aanwijzing om te veronderstellen dat het formeel sterk verwante drietal kerken in Utrecht, Rolduc en Maastricht, ook wat de datering betreft een hechte groep zou vormen. De aanwijzingen die het kerkgebouw van O.L. Vrouw bevat zijn daarmee mijns inziens ook in tegenspraak; alles wijst er juist op, dat het grootste deel van het schip tot stand gekomen is na een planwijziging, nadat de koorpartij al gebouwd was. Meer concreet betekent dit, dat bouwfase 5 gedateerd moet worden in de jaren vanaf ca. 1168.

(noten)

101 Kubach & Haas 1972, p. 742-744; Hotz
1981, p.65-68. Hotz noemt nog diverse andere kerkgebouwen, waar bandribgewelven zijn toegepast, waarvan Murbach (1145-1155) en Maulbronn (na 1147) naast Speyer het meest verwant zijn aan Worms. Zie Hotz 1981, p.65-67. Von Winterfeld 1988, p.240-241, dateert het bandribgewelf in het transept van Speyer vroeger, namelijk in het eerste decennium van de twaalfde eeuw.
102 Zo ook Weischer 1934, p.54-55.
103 Kubach & Verbeek 1976, dl.2, p.722 dateerden de verhoging in mergel in de eerste helft van de dertiende eeuw. Van der Wal 1979, p.147 kwam tot een datering kort voor 1325. Uit een pauselijke aflaat van dat jaar kan wel worden opgemaakt, dat reparaties aan het kerkgebouw noodzakelijk waren, maar een verband met de verhoging van de middenschipwanden lijkt mij onbewijsbaar. De aflaat van 25 september 1325 bij: Brom 1908-1909, p.13, nr.2.
104 Van Heylerhoff 1827, p.118; Van Nispen 1938, p.493, 495.
lO5 Begin van deze fase 1134, wijding in 1138,
zie: Haverkate & Van der Peet 1985, p.32-35, 82-85; Kubach & Verbeek 1976, dl.2, p.1164-1165.
106 Ga11,1923, p.40-41, bepleitte een datering na het midden van de twaalfde eeuw; Kluckhohn 1955, p.79-81., toonde een lichte voorkeur voor een datering voor het midden van de twaalfde eeuw.
107 Kubach &Verbeek 1976, dl.1, p.252.
108 Kubach & Verbeek 1976, dl.2, p.1258. Zij noemen Elten als het meest waarschijnlijke voorbeeld voor Wissel, wat mij twijfelachtig lijkt, aangezien niet bekend is of dit type gewelf in Elten werkelijk is uitgevoerd. De biforen onder de lichtbeukvensters in Wissel komen ook in Elten voor, ofschoon de positie in de wanden daar toch anders is. Voor Wissel zou de connectie met Maastricht, waarop Marres opmerkzaam maakte, wellicht interessant kunnen zijn. Het O.L. Vrouwekapittel had namelijk bezittingen in Wissel, zie: Franquinet 1870, p.9, nr .4, die 'Wicsello' ten onrechte hield voor een aanduiding van de plaats Veldwezelt. Hierover bij Marres 1964. p.194-195. l
109 Marres & Van Agt 1962; p.328-331, 333-337; Kubach & Verbeek 1976, dl. 1, p.467-471.
110 Vgl. Timmers 1971, p.115-122; uitvoerige literatuuropgave bij Kubach & Verbeek 1976, dl.1, p.471-472.
111 'Deposito interea sacrario construxerunt
criptam in eodem loco sacerdos et frater embrico. iacentes fundamentum monasterii scemate longobardino', zie Boeren & Panhuysen 1968, p.34-35.
112 Zie Boeren & Panhuysen 1968. p.18-19.
113 Zo meende ook Timmers 1971., p.11.6.
114 Marres & Van Agt 1962, p.336; Timmers 1971, p.116; Kubach & Verbeek 1.976, dl. 1, p.470.
115 Vgl. Mekking 1986, p.40. De bouwnaad, die aan het exterieur halverwege de tweede geleding in de noordelijke, westelijke en zuidelijke wanden van de westpartij van de St. Servaaskerk zichtbaar is, beschouwden we in 1982 terecht als bouwnaad tussen de fasen 2 en 4 (fase 3 betreft een ander deel van het gebouw). De gewelfaanzetten en het muurwerk van de zgn. corridors boven de galerijen moeten uit fase 4 stammen (Mekking 1982, p.219). De datering van de kapitelen op de galerijen in de westbouw in het derde kwart van de twaalfde eeuw (Mekking 1982, p.175) is zeker te laat. Zoals ik in het hoofdstuk 5, par.1 betoog, zijn de kapitelen in de westbouw van de St. Servaaskerk en die in de koorpartij van de O.L. Vrouwekerk hoogstwaarschijnlijk afkomstig uit hetzelfde atelier en moeten alle in de jaren voor ca. 1168 gedateerd worden. Opmerkelijk is, dat in de bouwdelen van beide kerken, die na het vertrek van de bouwloods met de beeldhouwers tot stand kwamen, delen die na ca. 1168 tot stand kwamen, zowel in de O.L. Vrouwekerk als in de St. Servaaskerk de stijgende tongewelven zijn toegepast. Zeer aannemelijk lijkt mij, dat ook toen voor beide kerkgebouwen bouwlieden uit dezelfde loods werden betrokken.
116 Verbeek 1967, p.148-149; Mekking 1982, p.227-228.
117 Brucher 1987, p.51-52.
118 Brucher 1987, p.51-56. Andere Italiaanse voorbeelden uit de twaalfde eeuw van dit type bandribgewelf zijn ondermeer de S. Savino in Piacenza, S. Maria di Castello in Tarquinia, de S. Benedetto in Brindisi, Brucher 1987, p.59-60, 257-258, 305-307.
119 In de opvatting van Von Winterfeld 1988, p.240, is het bandribgewelf in het transept van de dom van Speyer het vroegste voorbeeld, in het eerste decennium van de twaalfde eeuw. Deze datering zou de herkomst van het gewelftype uit NoordItalië op losse schroeven zetten, omdat Speyer het vroegste van alle bekende voorbeelden zou zijn, niet alleen ten noorden, maar ook ten zuiden van de Alpen. Het bandribgewelf in Worms is vrijwel gelijktijdig met dat in de Utrechtse Mariakerk. Aangezien ook in de sculptuur in Worms connecties met NoordItalië zijn te herkennen, geef ik vooralsnog de voorkeur aan de gebruikelijke datering van het gewelf in Speyer en aan de visie waarin Worms aan Speyer voorafgaat.
120 Kluckhohn 1955, p.22-26, 88-89; Timmers 1971, p.116; Perotti .1980, p.47-54, 60-62; Haverkate & Van der Peet 1985, p.33-34, 84-85.
121 Een vergelijking van de plattegronden van de twee kerken toont opvallend veel overeenkomsten, naast de al genoemde. De zijbeuken bestonden zowel in Utrecht als in Novara uit acht traveeën, het transept uit drie rechthoekige vakken van gelijke afmetingen. Aan de oostzijde sloot op het transept een rechthoekig koorvak aan, dat met een halfronde absis was afgesloten. Een dergelijke vergelijking is echter misleidend, omdat de lengte van het schip en de zijbeuken, evenals de afmetingen van het transep't en het koor bij de Mariakerk in Utrecht al in de eerste, elfde-eeuwse bouwfase waren vastgelegd. Dat voor de tweede, twaalfde-eeuwse bouwfase Novara het belangrijkste voorbeeld is geweest lijkt mij een onontkoombare conclusie. Vgl. Haverkate & Van der Peet 1985, p.67-71, 82-87. Zie ook Perotti 1980, p.50-54, 60-62. De globale verklaring voor een verwijzing in de architectuur van de Utrechtse Mariakerk naar Noord-Italië bij Haverkate & Van der Peet 1985, p.33,,37, verdient nadere uitwerking of correctie.
122 VoorPavia zie: Krautheimer 1969; Verdier 1954; Timmers 1971, p.116. .
123 Haverkate & Van der Peet 1985, p,28-38. 124 De volgorde die Verdier 1954, p.354-356
beschreef, is inmiddels achterhaald door betere dateringen van diverse bouwwerken. Op grond waarvan hij het schip van de MaastrichtseO,L. Vrouwekerk in de elfde eeuw dateerde, en daarmee nog vooraf liet gaan aan de voorbeelden in Pavia en Novara, is mij niet duidelijk. Elk argument voor een dergelijke datering ontbreekt. De connectie van de gebouwèn in Utrecht, Rolduc en Maastricht met Pavia en Novara is sinds lang bekend. Zie bijvoorbeeld Gall 1923, p.39-40; Verdier 1954, p.354-356; Krautheimer 1969, p.162-163.
125 De Mariakerk in Utrecht maakt, met name door de indeling van de westgevel, op de afbeeldingen althans, een duidelijk 'Italiaanse' indruk, wat van de kerken in Rolduc en in Maastricht niet kan worden gezegd. De rechtstreekse ontleningen in Utrecht aan met name Novara moeten daarbij een essentiële rol spelen. Anderzijds zijn de genoemde overeenkomsten van zowel Ro1duc als de Q.L. Vrouwekerk met Pavia groter, dan met de Utrechtse Mariakerk. Het is verleidelijk daaruit de conclusie te trekken, dat zij niet van de Mariakerk in Utrecht, maar van de bisschopskerk in Pavia afhankelijk zijn. Een uitspraak hierover zou echter pure speculatie zijn, want een degelijke vergelijking is niet meer mogelijk, nadat de kerken in Utrecht, Pavia en Novara in de negentiende eeuw met de grond gelijk werden gemaakt.
126 Bijvoorbeeld Weischer 1934, p.69; Kubach & Verbeek 1976, dl.2, p.722, 727.

 

terug naar boven